Mariene biologen melden nieuwe sporen van mogelijk gigantische octopussen in de diepzee. Bij recente expedities vonden zij afdrukken, prooiresten en DNA-sporen die wijzen op dieren groter dan bekende soorten. De observaties zijn gemaakt met ROV’s, op afstand bestuurde onderwaterrobots, en met diepzeecamera’s. Het onderzoek moet duidelijk maken welke roofdieren de oceaanbodem domineren en wat dat betekent voor het ecosysteem.
Nieuwe sporen van reuzenoctopus
Onderzoekers troffen op grote diepte patronen op de zeebodem aan die passen bij jacht- en schuilgedrag van grote octopussen. Het gaat om afdrukken en stapels prooiresten, zoals schelpen en pantsers, die meestal rond een hol liggen. Zulke ‘middens’ zijn bekend bij kleinere soorten, maar de schaal van de vondst verraste de teams. Op videobeelden lijkt het bereik van de tentakels groter dan eerder is vastgelegd.
Naast de visuele aanwijzingen zijn watermonsters geanalyseerd op zogenoemd environmental DNA (eDNA). In meerdere monsters kwam genetisch materiaal van octopussen voor op plekken met de opvallende sporen. Dat versterkt de link tussen de afdrukken en een grote octopusachtige jager. De exacte soort en afmetingen zijn nog niet vastgesteld.
De resultaten geven nieuw gewicht aan eeuwenoude zeemansverhalen over een ‘Kraken’, maar blijven binnen wetenschappelijke grenzen. De term ‘gigantisch’ verwijst hier naar groter dan wat tot nu toe op camera is vastgelegd, niet naar een exacte maat. Voor harde conclusies zijn aanvullende metingen nodig. Denk aan kalibratie met lasers op camera’s en directe observatie van dieren.
Technologie maakt diepzee zichtbaar
De ontdekking is mogelijk dankzij moderne onderzoekstechnologie. ROV’s en autonome onderwatervoertuigen (AUV’s) maken haarscherpe beelden en 3D-kaarten met multibeam-sonar. Met fotomozaïeken worden grote stukken zeebodem in detail vergeleken over tijd. Zo vallen patronen en verse sporen sneller op.
Naast beeld speelt eDNA een groeiende rol in mariene biologie. Watermonsters gaan door filters, waarna laboratoria zoeken naar DNA-fragmenten van soorten. Die aanpak is minder verstorend dan vangst en werkt ook bij schuwe dieren. Het helpt om aanwezigheid aan te tonen waar camera’s niets zien.
eDNA is los DNA in water, afkomstig van huidcellen, slijm of uitwerpselen, waarmee je soorten kunt detecteren zonder ze te vangen.
Algoritmen voor patroonherkenning ondersteunen het werk van biologen. Software telt afdrukken, herkent prooiresten en koppelt dat aan kaartgegevens en diepte. Dat versnelt het doorzoeken van duizenden beelden en maakt resultaten herhaalbaar. Menselijke validatie blijft nodig om fouten en bias te voorkomen.
Europese onderzoeksvloot profiteert
Europa investeert via Horizon Europe en Eurofleets+ in deze onderzoekssystemen. Netwerken als EMSO ERIC en EMODnet delen sensordata en kaarten van de zeebodem. Daardoor kunnen internationale teams sneller hypotheses toetsen, zoals de aanwezigheid van grote toppredatoren. Dezelfde infrastructuur ondersteunt ook klimaat- en biodiversiteitsonderzoek.
In de Benelux beschikken NIOZ (Nederland) en VLIZ (Vlaanderen) over schepen en meetplatforms voor diepzee-onderzoek. Schepen als RV Pelagia en RV Belgica varen met ROV’s, sonars en eDNA-kits. De technieken uit de recente expedities sluiten aan bij deze Europese faciliteiten. Dat vergroot de kans op zelfstandig vervolgonderzoek dichtbij huis.
Voor bedrijven in maritieme technologie levert dit ook kansen op. Leveranciers van sensoren, robotica en data-analyse zien een groeiende vraag naar robuuste, energiezuinige systemen. Open standaarden en deelplatforms zoals EMODnet verlagen de integratiekosten. Dat past in de Europese digitalisering van de blauwe economie.
Voorzichtig met conclusies
De huidige aanwijzingen zijn sterk, maar indirect. Zonder directe metingen blijft de grootte van de dieren een schatting. Camera’s kunnen vertekenen en sporen kunnen door stroming verplaatst raken. Daarom plannen onderzoeksteams vaak meerdere transecten en tijdreeksen.
Ook eDNA-analyses kennen beperkingen. DNA kan afkomstig zijn van voorbijdrijvende organismen of door monsters worden vervuild. Goede protocollen vragen daarom om replicaten, blanco-controles en onafhankelijke labs. Pas dan ontstaat een stevig bewijs.
De volgende stap is gericht bewijs verzamelen met kalibratie-lasers, aascamera’s en beter schaalbeheer in beelden. Vangst is niet nodig en vaak onwenselijk; observatie en meting volstaan. Dat is veiliger voor het ecosysteem en past bij Europese onderzoeksrichtlijnen. Transparante publicatie en data-deling maken toetsing mogelijk.
EU-beleid en ecosysteemgevolgen
Als zeer grote octopussen actief jagen op de zeebodem, beïnvloeden zij prooikeuze en biodiversiteit. Zulke toppredatoren zijn belangrijk voor indicatoren in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Betere kennis helpt lidstaten om natuurdoelen te meten en te halen. Het geeft ook input voor beschermde gebieden op grote diepte.
Diepzee-ecosystemen staan tegelijk onder druk door visserij en mogelijke mijnbouw. Op het moment van schrijven steunt het Europees Parlement een oproep tot een moratorium op diepzeemijnbouw, zolang de ecologische risico’s niet zijn onderbouwd. Nieuwe vondsten over grote roofdieren zijn relevant in die afweging. Ze tonen dat we nog veel niet kennen van het systeem dat we willen benutten.
Data uit dit soort expedities vallen onder open science-principes en stromen naar platforms als EMODnet. Dat maakt onafhankelijke controle en hergebruik mogelijk, ook door Europese start-ups in data-analyse. Zo versnelt digitalisering het onderzoek, terwijl transparantie en zorgvuldigheid geborgd blijven. Dat is cruciaal bij spectaculaire claims over onbekende zeebewoners.
